Kwaliteitsbewaking Klinische Geneesmiddelanalyse en Toxicologie

Toelichting op document afkapwaarden.

In bijgaand document treft u een richtlijn afkapwaarden voor DOA-screening die tot stand is gekomen na vele besprekingen door de multidisciplinaire Expertgroep drugsonderzoek waarin zitting hebben Prof Dr F de Wolf, Prof Dr D Uges, Dr E Pennings, Drs P Zweipfennig, Drs J Weijers, Dr L Mostert, Drs R Niessink en Dr ACG Egberts.

Afkapwaarden (cut-off) zijn bedoeld om een scheidslijn te trekken tussen een negatief en positief monster. Afkapwaarden zijn een bron van veel discussie en in Europa is er zeker nog geen consensus. Wel is duidelijk dat de gebruikte afkapwaarde afhankelijk is van de doelgroep. Zoals met elke diagnostische test het geval is is het hierbij balanceren tussen sensitiviteit en specificiteit. Hoewel de meeste DOA-screeningen veel sensitiever zijn dan de genoemde afkapwaarden, gaat dit altijd ten koste van de specificiteit: hoe lager de afkapwaarden, hoe hoger het percentage vals-positieven. De relatief slechte specificiteit van immuno-assays wordt vooral veroorzaakt door kruisreactiviteit met endogene en exogene substanties aanwezig in de urine. Bij de gekozen afkapwaarden is voor het genoemde doel (drugshulpverlening, workplace testing, penitentiaire inrichtingen) de balans tussen sensitiviteit en specificiteit voor de screening optimaal.

Bij screening ten behoeve van drugshulpverlening en penitentiaire inrichtingen wordt alleen op verzoek een bevestigingsonderzoek uitgevoerd. Dit betekent dat men normaliter beleid zal maken op de uitslag van het screeningsonderzoek. Het enige verschil tussen afkapwaarden van drugshulpverlening en penitentiaire inrichtingen is de waarde van cannabinoïden (100 resp. 50 µg/l). De reden is dat men bij drugshulpverlening vooral geïnteresseerd is in het aantonen van recent gebruik. Bij recent gebruik van cannabis bevattende producten en mits tijdige urinecontrole zal de concentratie in urine groter dan 100 µg/l zijn.

Bij drugsscreening ten behoeve van workplace testing dient altijd een bevestigings-onderzoek te worden uitgevoerd.

Een notoir probleem bij de screeningen met de huidige immuno-assays is de bepaling van amfetaminen en afgeleiden daarvan. De momenteel beschikbare immuno-assays vertonen allemaal te veel kruisreactiviteit met andere stoffen om de afkapwaarde te kunnen verlagen naar het gewenste niveau van 300 µg/l; het percentage vals-positieven zou te groot zijn. Mede gezien de beperkte beschikbaarheid van bevestigingsonderzoek en de hoge kosten daarvan, is voorlopig gekozen voor een afkapwaarde van 1000 µg/l. Men dient zich te realiseren dat het aantal vals negatieven dus aanzienlijk kan zijn. Een verbetering van de huidige immuno-assays op dit gebied is zeer gewenst.

Bij de screening op benzodiazepinen is het van belang of men wel of niet deglucuronideert. Een negatieve uitslag voor benzodiazepinen bij iemand die bv 3 dd 50 mg oxazepam gebruikt is eerder regel dan uitzondering indien men niet vooraf deglucuronideert. Bij screening op benzodiazepinen in urine is deglucuronideren derhalve ten zeerste aan te bevelen.

Tot slot zij nog opgemerkt dat de genoemde afkapwaarden eigenlijk niet geschikt zijn voor screening ten behoeve van klinisch toxicologische casus. In dat kader is sensitiviteit veel belangrijker en dienen dus concentraties gedefinieerd te worden die men als klinisch toxicologisch laboratorium minimaal moet kunnen aantonen in diverse matrices. Hieraan wordt nog gewerkt.

Toine Egberts

november 2000

Back to Top